De politieke discussie over ‘gelijk speelveld’
De politieke discussie over ‘gelijk speelveld’
Recent is wederom de discussie over het gelijke speelveld opgelaaid. Althans het lijkt daarom te gaan. Maar naar alle waarschijnlijkheid gaat er een veel grotere wereld verscholen achter de gedane uitingen.
Adfiz en het Verbond van Verzekeraars (Verbond) bestoken elkaar in rap tempo met stellingen naar aanleiding van de uitspraak van voorman Loek Hermans. Afgelopen week gedaan in Utrecht, tijdens het Nieuwjaarscongres.
Hermans is van mening dat "de bal nu bij de politiek ligt om de consument een werkelijk zuiver marktmodel te bieden. Een markt waarin producten enerzijds en advies en bemiddeling anderzijds onderscheiden diensten zijn. Idealiter aangeboden door onderscheiden organisaties. Maar in ieder geval met ieder hun eigen prijs. Transparant. En apart te betalen. Aparte facturen dus".
Een ogenschijnlijk mooi streven, maar reden voor het Verbond om direct de eis van Adfiz om ook bij directe verkoop van verzekeringen met aparte facturen te gaan werken voor advies- en distributiekosten ter verwerpen. "Dit veroorzaakt onnodige kosten en zaait verwarring voor de klant", aldus directeur Leo de Boer.
Wat is er nu eigenlijk aan de hand en hoe oprecht en steekhoudend zijn deze uitingen op te vatten?
Verwacht Adfiz nu van de wetgever een nog verdergaand ingrijpen? Terwijl zij tot op heden altijd voorop heeft gestaan om de (gedrags-)regelgeving, inclusief sturing van de branche door de wetgever en toezichthouders, te verminderen? Wordt het liberaal uitgangspunt om de markt haar eigen werking te laten hebben verlaten?
En is het Verbond daadwerkelijk geïnteresseerd in de mogelijk verwarring die bij klanten ontstaat door het optreden van marktpartijen? Terwijl zij aan de andere kant essentiële verwarring in stand houdt door op verschillende fronten geen adequate maatregelen te treffen. Zij heeft wel de positie om middels haar leden de misleiding onder consumenten te verminderen. Maar tot op heden laat zij na om adequate maatregelen te treffen. Een voorbeeld om aan te pakken is de uitkomst van een recent consumentenonderzoek (Cardif 2011). Daaruit komt naar voren dat de helft van de geënquêteerden de mening is toegedaan dat de informatie over complexe producten door verzekeraars expres moeilijk wordt gemaakt.
Zeker gezien de recente voorgeschiedenis vallen kanttekeningen te maken bij de uitlatingen van beide kemphanen. Over de achterliggende motivatie kan men speculeren. Het is de vraag of het antwoord hierop wel zo cruciaal is voor partijen die echt willen innoveren. Zij hebben de politiek of de wetgever niet werkelijk nodig om hun richting naar de succesvolle toekomst te bepalen en in te vullen. Hun initiatieven bepalen mede de richting van de branche in de toekomst. Waardoor de wetgever te zijner tijd weer een stapje terug kan doen in het afdwingen van gedrag en innovatie.
Maar omdat toch voor het overgrote gedeelte van de huidige branche ook het standpunt van de twee hoofdpartijen belangrijk is een korte beschouwing. Van de uitlatingen en wat er gedaan kan worden om de branche echt te innoveren.
Te beginnen bij de stelling van Hermans. Hij maakt een scheiding tussen product enerzijds en advies en bemiddeling anderzijds. En stelt daarbij dat deze diensten ideaal gesproken door verschillende (niet van elkaar afhankelijke) partijen zouden moeten worden verricht. Naar mijn mening vergeet hij daarbij echter, waarschijnlijk niet voor niets, om eveneens een scheiding aan te brengen tussen ‘advies’ en ‘bemiddeling’. Dan ben je immer pas echt zuiver bezig. Op het moment dat je de bemiddelaarsrol volledig gaat scheiden van het advies treedt een volledige onafhankelijkheid op te aanzien van aanbieders. De bemiddelaar is (nu) het voorportaal van de aanbieder om verkoop te realiseren. Aangezien daar veel geld en een groot belang mee is gediend, is het consistent om daarbij de verschillende diensten (advies, bemiddelen en productverkoop) separaat en transparant aan de klant aan te bieden. Ieder tegen een eigen prijs. En voor zuiverheid pleit hij immers wel (en terecht). Of dat dan moet leiden tot aparte declaraties is meer een kwestie van vorm.
Hermans trekt echter de scheiding tussen advies en bemiddeling niet zo ver door. En wordt daardoor niet consistent in zijn betoog. Voorts wakkert dit het beeld aan dat er een opportunistische drijfveer achter schuil gaat. Het is overigens niet de eerste keer dat hij aan deze discussie voeding geeft. Op VB congres in december uitte hij zich op min of meer gelijke wijze ( mijn column in VVP 50/52 te lezen op website Heathfield/publicatie bibliotheek).
Er is haast maar een conclusie te trekken. Men wil, gebruikmakend van het tij, de positie van de bemiddelaar verbeteren ten opzichte van de nu sterkere vermeende concurrent. De directe aanbieder. Om zo de bemiddelingsfunctie te behouden en de daarbij behorende inkomstenstroom. Men moet het wel over de functie van de bemiddelaar hebben welke altijd gekoppeld is geweest aan de provisiebeloning en het destijds zwaar bevochten portefeuillerecht. Want als men het over de adviseur zou hebben dan zou de opmerking overbodig zijn. De adviseur staat immers niet in concurrentie met de aanbieder en vervult een geheel andere functie richting de klant. De adviseur zorgt er voor dat de klant een onderbouwd inzicht krijgt in de eigen financiële situatie. Om vervolgens mogelijkerwijs een product aan te schaffen. Al dan niet met behulp van een bemiddelaar. Verschillende rollen met verschillende toegevoegde waarden en functies. Rollen die helaas nog steeds voor de klant diffuus door elkaar lopen. En in stand worden gehouden door de branche, ondermeer door Adfiz.
Deze conclusie wordt nog verder versterkt door de reactie van Adfiz deze week op de recente brief van de AFM. Hierin worden door de toezichthouder ondermeer een opmerking gemaakt over de beheersing van de intermediair distributie en de rol van aanbieders hierin. Door te reageren zoals men doet geeft de organisatie aan nog steeds te denken van productgerichtheid en niet vanuit het belang van een sterke adviesrol, ook in het belang van de klant.
Dan de reactie van het Verbond. Men beaamt de noodzaak van een gelijk speelveld bij advies en bemiddeling van verzekeringen (ik neem aan dat men bedoelt ‘financiële diensten’). Maar om dat te bereiken middels het splitsen van de factuur in advies en bemiddelingskosten vindt men te ver gaan. Maar begrijp ik het nu goed? Men wil dus wel een gelijk speelveld, maar dat bestaat per definitie toch niet. De klant die binnenkomt bij de bank gaat er weer uit met een product van die bank. Althans als de klant door de acceptatiecriteria van de bank komt. Hier zit juist de crux. Dit zou minder dan wel geen probleem zijn als de bank zou voldoen aan de wettelijke transparantievereisten. Door in die context de klant voorafgaand aan het zogenaamde ‘advies’ duidelijk en onomwonden aan te geven dat men uiteindelijk een product uit eigen stal aanbiedt. En daar producten van andere aanbieders niet in betrekt. Maar zoals we weten gebeurt dit grosso modo niet. Reden voor de AFM om daar recent nog eens publiekelijk op te wijzen.
De klant die bij een adviseur binnenkomt mag verwachten dat hij een onafhankelijk advies ontvangt. Althans als de adviseur geen ‘gebondenheid’ heeft met een of meer aanbieders. Gelukkig is deze situatie in de praktijk meer een meer het geval. Waardoor, mede vanwege de gelijktijdige invoering van het provisieverbod, steeds meer onafhankelijkheid gaat ontstaan.
Als het Verbond daadwerkelijk serieus meent dat er een gelijk speelveld moet komen, dan zou zij de verschillende rollen in de branche benadrukken. Dan zou men stoppen met het vergelijken van appels en peren. Een veel effectievere aanpak. Maar zeer waarschijnlijk wil men middels het populaire en platgetreden thema ‘gelijk speelveld’ eveneens een ander doel bereiken. Bijvoorbeeld het in stand houden van het bestaande diffuus karakter van rollen die men thans onder een dak kan vervullen. Hiermee kan de aanbieder voortgaan met het rechtstreeks bereiken van niets wetende klanten onder het mom van een ‘advies’.
Terwijl naar mening de klant pas echt gediend is als het onderscheid tussen de verschillende functies en rollen in de markt adequaat wordt gemaakt. De klant wordt dan in de gelegenheid gesteld daadwerkelijk te kiezen. Bijvoorbeeld om een advies tegen een bijbehorende vergoeding af te nemen. Omdat die groep klanten dat van belang acht alvorens een besluit te nemen over de aanschaf van een object of product. Klanten die menen geen behoefte aan advies te hebben kunnen vervolgens bewust deze stap overslaan. Zij kennen dan ook onomstotelijk de consequenties van de keuze. De stap rechtstreeks naar een aanbieder, al dan niet elektronisch, is in dat geval een bewuste en gecalculeerde.
Het belang van de klant centraal stellen betekent onvermijdelijk invulling geven moet aan het persoonlijk integraal advies aan de klant over zijn situatie. Als de kern van onze nieuwe financiële markt. In plaats van nog steeds het advies aan de klant over het product te accentueren en te belonen. Dit lijkt een klein verschil, maar dat is het niet.
Dit is dan ook mede de reden dat de branche zo’n enorme moeite heeft met het gestalte geven van de transformatie. En liever blijft hangen in het bedrijven van politiek en een even diffuus en haast kinderachtig steekspel tussen partijen.
Tot slot: het verweer van de aanbieders tegen het specifiek zichtbaar maken van de diverse kosten is op zijn minst onbegrijpelijk. Omdat zij ook nu al in staat (zouden) moeten zijn om de kosten van verkoop, distributie en advies te scheiden. Zoals wettelijk is voorgeschreven. Dit moet mogelijk zijn, mits de managementinformatie van aanbieders op orde is en de productcalculaties steekhoudend zijn. Daar zit het knelpunt en de basis voor een schimmig steekspel.
Waarom wil men anders de kosten niet nominaal, tot op de puntkomma, aan de klant tonen. Inclusief alle opslagen die voorts nog worden doorberekend. Zou dat niet een nobel streven zijn voor een branche die stelt transparant te willen zijn. Die een maatschappelijke systeemfunctie vervuld in het gekozen Europese economische systeem. Door dit na te streven gaat op termijn ook de door sommigen met verve opgeworpen vergelijking met de handel en overige commerciële ondernemingen mank. In het belang van de klant.
Hierover gaat wat mij betreft de open discussie op een publiek platform. Ten overstaan van ondermeer branchegenoten, smaakmakers uit de politiek, het bedrijfsleven en klantengroepen. Open en bloot, met feiten en argumenten onderbouwd.
We hebben nog een lange weg te gaan, met zoals het er naar uit ziet 2012 als aanjager.
Paul Heuperman - "Vanuit mijn achtergrond en ervaring wil ik graag een bijdrage leveren aan de transformatie van onze branche. Zodat deze weer gaat aansluiten bij de maatschappelijke ontwikkelingen en de functie die onze branche altijd heeft gehad: vanuit onkreukbaarheid, autoriteit en vertrouwen een functie vervullen in een gelijkmatige en zorgvuldige evolutie van economie, maatschappij en welzijn". Het New Financial Forum is een goed initiatief en platform om te steunen.





